HomeStatutsProgrammeRèglementMessagesDirectionCotisationClause de non-responsabilitéLiensContactIndex Documents

StartStatutenProgrammaReglementBerichtenBestuurLidgeldDisclaimerLinkenContactIndex Documenten

 

Noord-Zuid consensus

 

Lastenboek: Waardering voor de huisartsgeneeskunde in België

  1. Verhoging van het budget van de huisartsgeneeskunde
  2. Sociale bescherming
  3. Verminderen van de administratieve overlast op de eerste plaats ivm voorschrift van Geneesmiddelen
  4. Op politiek niveau en met betrekking tot Volksgezondheid
  5. Organisatie en Financiering van een Kwaliteitssysteem voor en door huisartsen
  6. De huisarts in zijn positie als eerste aanspreekpunt voor de patiënt benadrukken 
  7. Organisatie van officiële campagnes die de bevolking aanspoort een huisarts te kiezen en die bij voorkeur eerst te raadplegen
  8. Organisatie van de Wachtdiensten
  9. Structurele financiering van beroepsverenigingen

Inleiding: Waarom 'herwaardering' voorzien

Bij de permanente vloedgolf van hightech geneeskunde, zal het steeds moeilijker worden voor publiek gefinancierde gezondheidssystemen, zoals het onze om dit blijvend en solidair te dragen. De grote uitdaging en vraag is de oriëntatie en de financiële prioriteiten die de overheid hierbij naar voor schuift. 
De tendens is dat die landen - die beschikken over een algemeen verzekeringsstelsel voor hun ganse bevolking - die ongebreidelde financiële wedloop zullen verlaten, doch veeleer de efficiëntie en kwaliteit van zorgverlening willen optimaliseren - binnen het voorziene budget. Het is daarbij duidelijk dat de ambulante persoonsgerichte gezondheidszorg het grootste potentieel heeft om bij te dragen in de belangrijkste onmiddellijke gezondheidswinst van een ganse populatie, in het bijzonder van het armste deel ervan. Het is dan ook nogal bedreigend dat er bij de huisartsen in Europa een veralgemeende malaise heerst die velerlei oorzaken heeft. 

België ontsnapt niet aan deze fenomenen, integendeel. Door de jarenlange ontkenning van het essentiële belang van de eerstelijn en het gebrek aan een gezondheidsbeleid met die visie, is de problematiek hier nog groter dan in de rest van Europa. Zo groot zelfs dat huisartsen - en hun verenigingen over de taalgrens heen - ertoe gekomen zijn te overleggen en samen uit te zoeken welke maatregelen en acties dringend noodzakelijk zijn om de eerste nood te lenigen. Die nood is immers zo groot en zo chronisch, dat het voortbestaan van het huisartsenberoep in ons land ernstig bedreigd wordt. We willen dit door enkele relevante feiten illustreren:

  • In de ganse grensstreek met onze noorderburen stopten op enkele jaren tijd talloze collega's hun praktijk, en verplaatsen hun huisartsenactiviteit naar Nederland. In de wachtdienst van Turnhout bijvoorbeeld verdwenen op 2 jaar tijd 10 % van de huisartsen. Ook langs francofone zijde zijn er tal van huisartsen die hun toekomst zoeken bij onze zuiderburen…of elders.

  • Sinds jaren is geweten dat er van alle huisartsen in beroepsopleiding (HIBO's met 9 jaar universitaire studies), na 5 jaar nog maximaal 50% tot 30% effectief de huisartsgeneeskunde beoefent. De anderen zijn zelfs nooit gestart of onmiddellijk weer gestopt…

  • Het voorkomen van zelfmoord, depressie, alcoholisme en burn-out is in de artsengroep veel hoger dan in de doorsnee bevolking; huisartsen zijn binnen het artsenberoep een hoogrisico categorie. 

  • Huisartsen-ouders raden hun kinderen af om voor dit beroep te kiezen…

En toch blijkt voor het behoud van een kwalitatief hoogstaande en betaalbare zorg, via de uitbouw van een volwaardige eerstelijn, die huisarts een sleutelpositie te bekleden.

Een ruim bekend en internationaal aanvaard onderzoek van Barbara Starfield (Lancet 8930 (1994): 1129-33) stelde jaren geleden reeds dat de kwaliteit en de betaalbaarheid van de zorg in de westerse gezondheidssystemen rechtstreeks evenredig was met de investeringen in de eerstelijn en de huisartsgeneeskunde. Een recent Scandinavisch onderzoek bevestigde dit gegeven. Er bestaan in het buitenland (o.a. VS) ook nog andere gezondheidssystemen die geen of ondermaats gebruik maken van de huisarts. Dit leidt onvermijdelijk tot zeer hoge uitgaven en een bedenkelijke kwaliteit van zorg: zowel vanuit patiënt- als vanuit public health standpunt. 

Binnenlands onderzoek (o.a KUL Leuven E. Schockaert en een studie van het Planbureau 1990 - "Zorg om de gezondheid", Hr.E. Rohaert) over de prioriteiten in de gezondheidszorg, en adviezen waarin zinvol moet geïnvesteerd worden, kwam tot gelijkaardige resultaten. En er volgden talrijke concrete voorstellen…

Deze wetenschappelijk onderbouwde kennis werd echter nooit in het gezondheidsbeleid toegepast in de Belgische situatie, integendeel. De maatschappelijke druk en het verwachtingspatroon, zowel van beleidsmakers als van de patiënten naar die huisartsen toe, werd sterk opgevoerd. De administratieve belasting binnen de huisartsenpraktijk is torenhoog en wordt bedreigend voor de gezondheid van patiënten: de effectieve  verzorgingstijd wordt opgeofferd aan futiele paperasserij. Cijfers vanuit het RIZIV bevestigen dat het relatieve aandeel van de middelen, dat elk jaar aan de huisartsenhonoraria wordt toebedeeld, de laatste 15 jaar continu is gedaald. Dit fenomeen kadert in de algemene onderwaardering van alle intellectuele actes - van alle artsen - versus de meer lucratievere - en dus duurdere - technische geneeskunde.

Die neerwaartse trend wordt bevestigd door een audit die vorig jaar door een onafhankelijk revisorenkantoor werd uitgevoerd en tot de vaststelling kwam dat het netto uurloon van een huisarts in Vlaanderen 8.9 € bedraagt. 

De universitaire opleiding van onze huisartsen is nochtans van zeer hoog niveau, de kwaliteit van het werk verricht door Belgische huisartsen is zeer goed, en de toegankelijkheid en grote beschikbaarheid is nergens ter wereld beter. Vandaar de bewezen - grote - tevredenheid van de Belgische bevolking voor onze huisartsen, versus lange wachtlijsten en zorgrantsoenering in de ons omringende landen. Vreemde patiënten komen naar hier, de huisartsen vertrekken naar ginder?

De huisartsen als groep zijn desondanks nooit hun verantwoordelijkheid uit de weg gegaan. Structurele én inhoudelijke maatregelen om de positie van die huisarts in het zorglandschap te ondersteunen zijn echter al te lang uitgebleven of blijken nog steeds ruim onvoldoende.
Daarom hebben de huisartsen samen een voorstel van negen prioriteiten gelanceerd, de Noord-Zuid Consensus: élk van die punten is even belangrijk en de realisatie van het ganse pakket is dan ook een minimum minimorum om het huisartsenberoep aantrekkelijker én leefbaarder te maken, dus meer dan gewoon te "overleven". 

In het kader van de nakende verkiezingen en een regeringsformatie, zijn het dan ook cruciale maanden voor het beleid en de organisatie van de gezondheidszorg. Dit is het moment waarop alle betrokken partijen en dus ook de politici hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. 

Dit gaat om de toekomst van de gezondheidszorg in België: huisartsen verdienen beter. In het belang van zowel de volksgezondheid als van de individuele patiënt.

1. Verhoging van het budget van de huisartsgeneeskunde met minstens 45% over de eerstkomende drie jaar, bovenop de normale indexering 

Dit geraamde bedrag dient om de bewezen negatieve spiraal - trend gedurende de laatste decennia - van onderfinanciering van de huisartsgeneeskunde onmiddellijk om te buigen via een gemotiveerde én geprogrammeerde inhaalbeweging:

1.1 De honoraria voor huisbezoeken en raadplegingen tot respectievelijk € 30 en € 20 (een aanzet tot gelijkschakeling met enkele andere europese landen). Ook een specifieke nomenclatuur voor technische acten binnen de huisartsgeneeskunde dient dringend te worden uitgewerkt en/of verfijnd

1.2 Gelijktijdige opwaardering van het Globaal Medisch Dossier tot minstens € 25, met een extra vergoeding bij elektronisch dossierbeheer (EMD/DMI = € 40).

1.3 Uitbouw van de financiering voor andere "opdrachten", zowel nieuwe als oude die (nog) niet vergoed worden. Dit betekent dat een opdracht dient vergoed te worden, op een rechtvaardige en een vergelijkbare manier voor alle huisartsen met praktijk, en onafhankelijk van het model, van het aantal prestaties of patiënten.

Een niet-limitatieve opsomming van enkele "opdrachten": zorgoverleg met andere huisartsen en zorgverleners, vergoeding voor het volgen van permanente navorming, beschikbaarheidshonorarium voor de wachtdienst maar ook voor de uitbouw van een continuïteit van een praktijk- en bevolkingspermanentie, de uitbouw van samenwerking in groep, vertegenwoordiging van het beroep, administratieve taken, …

Het doel is een aanvaardbaar basisinkomen voor de huisarts te verkrijgen, in verhouding met het universitair opleidingsniveau (i.c. 9 jaar) en de grote verantwoordelijkheid en de dito beschikbaarheid, inherent aan het veeleisend huisartsenberoep. 

Het verhogen van het budget is ook essentieel om het beroep voor jonge huisartsen terug aantrekkelijk te maken en/of leefbaar te houden.

Bovendien schept het ruimte voor investeringen in de praktijk en de praktijkorganisatie. Uit de hoger genoemde audit blijkt immers dat veel belangrijke investeringen nu om financiële redenen worden uitgesteld of helemaal niet meer gebeuren. 

Het zal dan misschien mogelijk zijn om een betere omkadering te organiseren van de praktijk , bijvoorbeeld een ondersteuning secretariaat/administratie. 

Teneinde een duidelijk zicht te krijgen in de grootteorde van de diverse deelbudgetten, en de verdeling daarvan binnen het geheel van de gezondheidszorg, is een aparte berekening van de huisartsenhonoraria en de door huisartsen gegenereerde kosten noodzakelijk. 

We zoeken dus naar akkoorden en overeenkomsten (met de overheid/RIZIV) die de huisartsen ondersteunen in hun beroepsuitoefening, en aangepast zijn/blijven aan de reële noden van de patiënt en de maatschappij.

2. Sociale bescherming

2.1 Uitbouw van sociale bescherming van de huisarts, als aanvulling van het huidig sociaal statuut gebonden aan de conventie, gezien de taak voor de gemeenschap van de huisarts, die hem een gewaarborgd inkomen garandeert ter waarde van 80% van zijn netto belastbare inkomen, o.a. in geval van ongeluk, ziekte, moederschap...

2.2 Uitbouw van een volwaardig pensioen.

Deze maatregelen worden gevoegd bij de veralgemeende herwaardering van het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Het huidig sociaal statuut - gebonden aan een conventioneel systeem - kan behouden blijven; het biedt echter onvoldoende sociale zekerheid/bescherming, zowel voor pensioenvorming als bij ziekte en invaliditeit, om zo over een gewenst vervangingsinkomen van 80% van het netto belastbaar inkomen te kunnen beschikken.

Nu is het zo dat alle artsen dezelfde vergoeding (kunnen) krijgen aan sociaal statuut, ook artsen zonder enige praktijk en die zelfs geen conventionele binding of verplichting hebben (o.a. werkzaam in de administratie, geneesheren adviseurs, journalisten, informatica,…). Praktijkvoerende huisartsen krijgen dit énkel als ze de erelonen en de tariefafspraken gemaakt in de conventie niet weigeren; dit sociaal statuut dient dus als "beloning" voor het bieden van tariefzekerheid aan de patiënten. 

De sociale toegevoegde waarde van huisartsen in deze maatschappij is belangrijk. Het is dan ook schrijnend om vast te stellen dat precies die huisarts in de kou blijft staan, als er zelf nood is aan sociale ondersteuning en opvang. Elk jaar zijn we getuige van sociale én familiale drama's bij het plots ziek of arbeidsongeschikt worden van collega's. Met het bedrag van het sociaal statuut kan men zich niet voldoende extra verzekeren voor alle sociale risico's. 

Men zou vanuit een solidariteitsgevoel kunnen stellen dat die problematiek ook zo is voor andere zelfstandigen en dat maatregelen noodzakelijk zijn voor een verdere veralgemeende herwaardering van het sociaal statuut van de zelfstandigen. Dit is ongetwijfeld ook zo. Het grote probleem is echter dat, als dit gepaard gaat met een solidaire inkomensgebonden verhoging van de lastenbijdragen van zelfstandigen, bepaalde groepen benadeeld zijn door hun specifiek fiscaal regime van transparantie van inkomen en belasting. De artsen leveren nu al een belangrijke bijdrage aan het budget van sociale zekerheid voor zelfstandigen. Als de sociale spelregels niet voor alle zelfstandigen gelijkwaardig zijn, dan dreigen artsen het eerste slachtoffer van te worden van hun eigen solidariteit. 

Het huidig statuut van huisartsen heeft eerder een valse schijn van zelfstandigheid dan dat men kan spreken van een echte vrij beroep: de tarieven liggen immers vast in de conventie, en de terechte deontologische voorschriften beperken eveneens een ongebreideld ereloon.
Er is dus nog zeer weinig ruimte voor zelfstandig ondernemerschap en het zelf bepalen van inkomsten die kunnen/moeten bijdragen aan de uitbouw van een degelijke bescherming.

3. Verminderen van de administratieve overlast op de eerste plaats ivm voorschrift van Geneesmiddelen 

Vanuit budgettair oogpunt is het beheersen of onder controle houden van de uitgaven voor geneesmiddelen essentieel. Daartoe werd een systeem (medicatie hoofdstuk IV of Bf) in leven geroepen dat op dit moment duidelijk ontspoord is. Het genereert zelf omgekeerde effecten en nodeloze extra kosten.
Voor een zeer groot deel van de geneesmiddelen heeft de huisarts niet meer het recht autonoom in eer en geweten voor te schrijven aan die patiënten waarvan hij/zij meent dat ze die nodig hebben. Voor zeer courante medicatie dient hij daarvoor een aanvraag in te dienen bij de medisch adviseur van het ziekenfonds. Maar ook deze kan niet in eer en geweten oordelen maar moet zich houden aan wettelijke voorschriften. Deze zijn niet opgesteld vanuit de huisartsenpraktijk en de heersende wetenschappelijke evidentie maar vaak puur budgettair geïnspireerd zijn. We hebben wetenschappelijke studies die bewijzen hoe op dit moment door die regelgeving aan patiënten die het nodig hebben medicatie wordt ontzegd en aan anderen die dit niet nodig hebben het gebruik ervan wordt toegestaan of zelfs aangemoedigd. Bovendien is de regelgeving vaak onnodig ingewikkeld en praktisch onuitvoerbaar. Vaak wordt een specialistisch advies als voorwaarde gesteld waar dit niet nodig is en dus zelfs extra kosten geneert. Zeer recent is daar de wettelijke voorwaarde bijgekomen dat een aantal medicaties zelfs op vaste standaardformulieren moeten ingevuld worden. Waarbij men vergeet dat de huisarts voor deze administratie nooit wordt vergoed, geen administratieve hulp in huis heeft, vaak medicatie voorschrijft op huisbezoek,….

Dit perfide systeem dat duur is, dat het vertrouwen tussen arts en patiënt aantast en een continue bron van ergernis is dient dan ook afgeschaft te worden.

Vanuit het oogpunt van kwaliteit kan het vervangen worden door organisatie van feedback op basis van voorschrijfprofielen die worden opgemaakt op initiatief van en onder controle van de huisartsen zelf en dus op basis van controleerbare gegevens. De opzet van zo'n feedback systeem is klaar en kan zeer snel operationeel gemaakt worden. Het vraagt alleen een investering van de overheid, niet in meer controle door de mutualiteiten, maar in meer ondersteuning van de huisartsenorganisaties.

Vanuit budgettair oogpunt moeten andere bijkomende maatregelen overwogen worden die de andere medespelers responsabiliseren en veel beter het budget kunnen helpen beheersen. 
Bijvoorbeeld via de realisatie van Prijs-volumecontracten tussen overheid en farmaceutische bedrijven. Deze kunnen op basis van realistisch ingeschatte noden en een goede prijssetting zonder enige twijfel zeker bij de invoering van innovatieve middelen maar ook bij al bestaande medicatie zorgen voor een correct aanbod en gebruik van geneesmiddelen. Dit vermijdt dat de arts die vaak gewrongen zit tussen tegenstrijdige belangen continue als enig verantwoordelijke voor overmatig medicatiegebruik wordt gestigmatiseerd. 
Daarnaast dienen met de farmaceutische industrie verdergaande correcte afspraken geformuleerd en geïmplementeerd in verband met ethisch aangepast en verantwoordde marketing strategieën die niet enkel gericht zijn op steeds meer verkopen maar op correct gebruik van de juiste medicatie in de juiste indicaties. 
Opgemerkt dient te worden dat we ook steeds vaker als huisartsen geconfronteerd worden met de gevolgen van al of niet verborgen reclame in de media die de patiënt rechtstreeks tot onnodig en soms gevaarlijk medicatiegebruik aanspoort. 

Op dit moment wordt over de prijs en terugbetalingsvoorwaarden van medicatie beslist in een aantal technische commissies. Daar zijn de praktiserende artsen uit de representatieve beroepsverdediging slechts beperkt bij betrokken en voor hun participatie en aanwezigheid evenmin vergoed of ondersteund. Dit leidt dan ook tot situaties waarbij afspraken en voorschriften zeer moeilijk in de praktijk kunnen worden gerealiseerd en vaak broodnodige aanpassingen en veranderingen niet worden gerealiseerd.

4. Op politiek niveau en met betrekking tot Volksgezondheid

4.1 In alle overlegstructuren, zowel op federaal, gewestelijk als regionaal niveau, moeten de huisartsen:

4.1.1  aanwezig zijn met beslissende stem
4.1.2  gemandateerd door hun gelijken
4.1.3  betaald worden op decente manier door de gemeenschap

4.2 Prioriteit voor financiering en erkenning van de huisartsenkringen.
4.3 Erkenning van lokale kringen voorafgaand aan elke verdere eerstelijnstructurering.
4.4 In alle operationele structuren van de eerste lijn moeten huisartsen door hun gelijken gemandateerd worden.

Een goede huisartsenorganisatie, lokaal - regionaal - gewestelijk en federaal, is essentieel voor de uitbouw van de eerstelijnsgezondheidszorg en voor gemandateerd overleg met alle partners; ook ter uitvoering van een gezondheidsbeleid moet dit op elk beleidsniveau. 

Om dit te realiseren moet een correcte gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de wetenschappelijke, organisatorische en syndicale huisartsenorganisaties worden toegelaten en erkend.
De huisartsengroep heeft hier zelf een grote verantwoordelijkheid. Meer bepaald de bestaande huisartsenverenigingen moeten samen zoeken naar een meer en beter geïntegreerde organisatiestructuren die een democratische representativiteit voor de huisartsen kunnen garanderen.
Op die manier zouden de huisartsen zelf hun eigen vertegenwoordigers kunnen kiezen én afvaardigen: via transparante en democratische principes.
De overheid kan hierop inspelen door de officiële erkenning en de ondersteuning van representatieve organisatiestructuren (Nederlands- en Franstalig) voor alle huisartsen.

De wettelijke erkenning én financiering van de kringen is een eerste belangrijke stap daartoe, op lokaal vlak. Doch ook op alle andere niveau's, gewestelijk en federaal, moeten vrijgestelde en betaalde huisartsen die representatie op een professionele manier vervullen.

Die representatieve huisartsenorganisaties moeten werk maken van gemandateerd overleg, met de eerstelijn, met de specialisten en de ziekenhuizen, met de mutualiteiten en de overheid en andere organisaties en instanties.

Het is daarom noodzakelijk dat de overheid dit fundamenteel zelfbeschikkingsrecht erkent: huisartsen moeten via eigen mandatering onderhandelen; bovendien moet de overheid in die zelfde lijn consequent haar gezondheidsbeleid voeren en uitvoeren, door én met - exclusief - die gemandateerde vertegenwoordigers van het beroep.

5. Organisatie en Financiering van een Kwaliteitssysteem voor en door huisartsen

5.1  Financiering van de organisatie van de kwaliteitszorg (continue professionele beroepsopleiding), georganiseerd door de huisartsen zelf.
5.2  Financiering van de tijd die artsen besteden aan hun permanente navorming, door het verhogen van de accrediteringsvergoeding (€ 2500/jaar).
5.3  Evaluatie van de accreditering.

De huisartsen proberen hun werk op een zo kwalitatief mogelijke manier te doen. Tot op heden werden ze daarbij niet of onvoldoende ondersteund en gehonoreerd.

Centraal in dit aspect van de kwalitatieve herwaardering van de huisartsgeneeskunde staan twee belangrijke pijlers:

1. Het up to date houden van de kennis en de kunde van de huisarts

Daartoe werd een aantal jaren geleden een systeem van accreditering opgezet waarbij huisartsen credits konden verzamelen door het bijwonen van navorming. 
Dit systeem is dringend aan herevaluatie toe: de structurering is ondoorzichtig, en de omkadering die noodzakelijk is om dit optimaal te laten functioneren werd nooit professioneel uitgebouwd, er werden daartoe ook geen middelen ter beschikking gesteld. 
De accreditering wordt dan ook door de meeste artsen als een extra administratieve last of een keurslijf ervaren, eerder dan een stimulans om hun kennis te verhogen. Hoewel vorming essentieel is voor elke arts, wordt verwacht van de huisarts dat hij die vorming quasi onbetaald en ook nog eens na zijn werkuren realiseert. Hij krijgt daarvoor op dit moment slechts een forfait van 500 euro per jaar. 

2. Het organiseren van een ondersteuning van de kwaliteit van de zorgverlening in de eigen praktijk

Er is een onderscheid tussen iets weten en iets doen. Om te weten wat je doet is cijfermateriaal onmisbaar. Het beschikbaar stellen van accurate gegevens over het praktijkfunctioneren - in het kader van stimulerende feed back - is dan ook een essentieel onderdeel van een goed kwaliteitssysteem. De beroepsgroep heeft zich samen met de overheid en het intermutualistisch agentschap geëngageerd om dit te realiseren. 
Cruciaal blijft de voorwaarde hoe de cijfers worden gegenereerd en hoe ze worden gepresenteerd. Ook hier zal maximaal delegeren naar de beroepsgroep zelf essentieel zijn: veiligheid en stimulans in plaats van controle en bestraffing. Maar vooral ook zal men moeten voorzien in voldoende budget om dit te realiseren. Budget enerzijds naar de huisartsenorganisaties die dit moeten waarmaken maar tegelijkertijd ook naar de huisartsen zelf die beloond moeten worden voor het leveren van de inspanning om kwaliteit te realiseren. 

De concrete organisatie hiervan kan verschillen in Vlaanderen en Franstalig België

In Vlaanderen hebben de huisartsen als beroepsgroep zelf hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de zorg opgenomen. We vragen dan ook de erkenning en ondersteuning van de Kwaliteitscel voor de Vlaamse huisarts. Deze gemeenschappelijke organisatie van alle Vlaamse huisartsenvereniging is opgericht ter ondersteuning van de kwaliteit van de huisartsen in hun praktijk. Hier brengen de verschillende organisaties hun kennis en mankracht in, onder meer op het vlak van richtlijnontwikkeling en navorming. Ze is het aanspreekpunt voor de overheid om die kwaliteit te ondersteunen door de participatie in de organisatie en coördinatie van feed back naar huisartsen maar ook ter ondersteuning van de kringen en hun navormings- en lok verantwoordelijken.

Het is hierbij belangrijk op te merken dat we ook voorstellen de kringen te erkennen en ondersteunen voor hun rol als lokale kwaliteitscoördinatoren. Ze spelen nu al een essentiële rol in de permanente vorming en de organisatie en ondersteuning van de peer review.

6. De huisarts in zijn positie als eerste aanspreekpunt voor de patiënt benadrukken bij het vragen van zorg 

6.1 Een verlaging van het remgeld voor raadplegingen van huisartsen (en een grotere verlaging bij G.M.D.).
6.2 Een verlaging van het remgeld voor raadpleging van een specialist die een naar hem verwezen patiënt ontvangt.
6.3 Verplichte inning van het remgeld (met uitzonderingen die nu bestaan voor 3e betalende op intellectuele acten).

In de Europese WONCA is een nieuwe definitietekst (ook in .pdf  )  betreffende de huisartsgeneeskunde in juni 2002 in Londen goedgekeurd. Door alle Europese huisartsenverenigingen, leden van WONCA, werd dit geadopteerd, en ondersteund door de WHO.  Deze tekst begin met te stellen : "The General Practitioner/Family Doctor:

a) is normally the point of first medical contact within the health care system, providing open and unlimited access to its users, dealing with all health problems regardless of the age, sex, or any other characteristic of the person concerned. 

b) makes efficient use of health care resources through co-ordinating care, working with other professionals in the primary care setting, and by managing the interface with other specialities taking an advocacy role for the patient when needed."

Dit betekent dat zelfs Europees de huisartsen de specialisten zijn in de "primary care", de primaire zorg of de eerstelijnszorg hoe je het ook wil noemen. De huisarts is "normaliter" het eerste aanspreekpunt dit betekent: het moet normaal en voor de hand liggend worden gemaakt dat je eerst bij je huisarts gaat. 

Het tweede punt, los daarvan is ook duidelijk : hoe de patient ook in de gezondheidszorg terechtkomt, wij zien het als onze rol met die anderen samen te werken, te garanderen dat de middelen efficient gebruikt zijn, en wij zien onszelf als de coordinator van de zorg en de coach van de patient. We willen dus de patient hoe dan ook begeleiden opdat hij de juist medische keuzes maakt. 

En daar gaat moderne echelonnering over : de juiste taak door de juiste persoon met de juiste deskundigheid, en wij zien het hogergenoemde als onze taak als eerstelijnsarts. Echelonnering gaat dus veel meer over taakverdeling, communicatie, en complementariteit. Niet over verplichte verwijzing. Maar wie zijn eigen gangen wil gaan moet hiervoor meer betalen. 
Het gaat er over welk systeem meest efficiënt is. Op welke manier wij onze taak kunnen doen, en hoe specialisten hierbij aanvullend zijn. 

Deze visie berust op meerdere goed uitgevoerde internationale wetenschappelijke studies die het kostenbesparend effect van die ambulante zorg, met de huisarts als spilfiguur, reeds hebben bewezen (Starfield). 
De organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg, die elk individu bereikt zowel voor acute aandoeningen als voor algemene preventie, is dus van allergrootste belang, om niet te zeggen determinerend niet alleen voor de kosten maar ook voor de kwaliteit van het ganse gezondheidssysteem. 
Zoals al uit de inleiding blijkt is dit punt essentieel voor het behoud en verbeteren van de verhouding tussen kwaliteit van zorg in ons land en de investering van de middelen in die zorg.

Gemiddeld 80 à 90 % van de gezondheidsklachten en problemen kunnen perfect door huisartsen worden opgelost. Vaak kunnen ze zelfs best of bijna alleen door huisartsen efficiënt worden aangepakt. 
Mensen bieden zich bij de huisarts aan met vaak vage klachten en zeer atypische problemen, ook dikwijls met meerdere problemen tegelijk. Het snel en efficiënt diagnosticeren en behandelen van deze problemen, met een minimum aan bijkomende onderzoeken en binnen een persoonlijke zorg op maat zijn typisch voor het huisartsenwerk. Specialisten zijn dan weer perfect geschikt om na voorselectie door de huisarts belangrijke en levensbedreigende problemen snel en efficiënt verder te onderzoeken en te behandelen. Maar mensen zijn meer dan de samenstelling van enkele organen. Die globale aanpak enerzijds en anderzijds de huisartsspecifieke kenmerken, van werken met vage klachten en symptomen bij lage prevalentie, zorgen voor de unieke en onvervangbare positie in het zorglandschap. Bovendien speelt de huisarts ook tijdens en na een doorverwijzing nog vaak een belangrijke (opnieuw onbetaalde) ondersteunende rol.

Als we ervan uitgaan dat de huisarts 10 a 15% van zijn patiënten doorverwijst dan is de huisarts die bijvoorbeeld 1% van de klachten meer zelf behandelt zeer kostenefficiënt want hij doet de onkosten in de tweede lijn voor zijn patiëntele met 5 a 10% dalen.

Wat merken we nu in de realiteit in onze Belgische context: de patiënten worden niet aangemoedigd maar eerder financieel bestraft om op een geëchelonneerde manier van de zorg gebruikt te maken.

Een patiënt die eerst zijn huisarts raadpleegt betaalt immers tweemaal remgeld (een eerste maal bij de huisarts en tweede maal bij de specialist), iemand die zomaar met om het even welke klacht het ziekenhuis binnenstapt betaalt vaak helemaal geen remgeld! 

De patiënt wordt nu financieel beloond als hij op een kostengenererende manier van de tweedelijnszorg gebruikt maakt en gestraft als hij op een kwaliteitsvolle en kostenbewuste manier in de zorg stapt, via de eerstelijn. Deze verhouding moet hoogdringend worden omgedraaid, niet door méér remgeld aan deze patiënt te vragen maar door het remgeld zo te differentiëren dat verantwoord geëchelonneerd gebruik van de zorg ook voor de patiënt de goedkoopste vorm van zorg wordt.

7. Organisatie van officiële campagnes die de bevolking aanspoort een huisarts te kiezen en die hij/zij bij voorkeur eerst raadpleegt

Er moet naar gestreefd worden dat in de media duidelijker de logische en maatschappelijk belangrijke plaats van de huisarts in de zorg onderstreept wordt en actief gepromoot. Deze promotie van de rol van de huisarts dient gebaseerd op kwalitatieve capaciteiten, eigen aan de specificiteit van het beroep en dient op zeer regelmatige basis herhaald te worden om effect te sorteren.

Die bewustwording naar het publiek is een continue opdracht, die ook dagelijks moet verankerd worden via de diverse maatschappelijke contacten van huisartsen, niet enkel met de individuele patiënten als ook met verschillende spelers, die een determinerende invloed hebben bij de "keuze" van de zorgvraag.

Vooreerst hebben de mutualiteiten - binnen hun wettelijk opdracht - een belangrijke taak om hun leden aan te sporen om de huisarts te erkennen in zijn taak. In het bijzonder de GMD-promotie zou veel intenser kunnen: de patiënt aansporen om in alle vrijheid één vaste en dossierhoudende huisarts te kiezen.

Het socio-cultureel vormingswerk kan ook hier een belangrijke rol in de bewustmaking realiseren.

Ook verzekeringsorganismen kunnen meer beroep doen op huisartsen bij het vervullen van onderzoeks- en/of expertiseopdrachten. Sommigen installeren echter een parallel circuit, bijvoorbeeld voor preventieve onderzoeken bij het eigen personeel.

Scholen moeten bij medische problemen/ongevallen ook leren dat elke leerling reeds een huisarts heeft, bij wie men terecht kan voor de acute medische zaken die zich op school kunnen voordoen.

Ziekenhuizen worden overspoeld in de spoed met allerhande huisartsenpathologie; hier kan enkel een bilateraal overleg met de lokale huisartsenkring een oplossing zoeken voor het onoordeelkundig gebruik/misbruik van de spoedopnames


8. Organisatie van de Wachtdiensten

8.1 Het realiseren van een beschikbaarheidshonorarium.
8.2 Het organiseren van de wachtdienst moet de verantwoordelijkheid van de lokale kringen blijven.
8.3 Financiering van het organiseren van de wachtdienst.

Een eerste element is gerealiseerd: BS 25 november 2002 Publicatie : 2002-12-14
"Overwegende dat voor een goed beheer van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, het noodzakelijk is de wachtdiensten van de huisartsen te ontwikkelen en te bevorderen en een correcte vergoeding ervan te waarborgen om de beschikbare middelen op een efficiënte wijze te gebruiken; dat de snelle invoering van een beschikbaarheidshonorarium voor dokters van wacht noodzakelijk is om deze doelstelling te realiseren; zodat onderhavig besluit dat de voorwaarden en de modaliteiten overeenkomstig dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een beschikbaarheidshonorarium betaalt aan de artsen die deelnemen aan georganiseerde wachtdiensten vaststelt, zo vlug mogelijk genomen en bekendgemaakt wordt".

Naast de huidige opdrachten - wachtdienstorganisatie en lokale vertegenwoordiging - hebben de kringen nog heel wat andere belangrijke taken; de realisatie door en via de kringen van lokale netwerken en samenwerkingverbanden, aangepast aan de lokale situaties, is nodig om het beroep voor jongere en vrouwelijke huisartsen een aantrekkelijke toekomst te bieden in een aanvaardbaar werkkader.

Kringen zijn een essentiële schakel voor de realisatie van de continuïteit en de permanentie. De bestaande wachtdienstwerking moet in subsidiariteit met de permanentie in de eigen praktijk zorgen voor het continu beschikbaar zijn voor de bevolking van een huisarts, 24 u op 24u, 7 dagen op 7

9. Structurele financiering van beroepsverenigingen

Huisartsenorganisaties hebben steeds in hun finaliteit, door een goede ondersteuning van de huisartsgeneeskunde, een optimale en kwalitatief hoogstaande patiëntenzorg te realiseren. Om dat te kunnen realiseren is professionalisering van de organisatie en ondersteuning van de huisartsgeneeskunde een dringende prioriteit. 

De artsengroep op zich kan dit niet alleen dragen. Om die optimale patiëntenzorg via goede ondersteuning en correcte beroepsverdediging te realiseren zal de overheid in de mate ze dit belangrijke en prioritair vindt ook voldoende middelen moeten voorzien. 

Het schijnt ook logisch dat in de mate de overheid vragende partij is voor - en overleg voorziet met de huisartsen,  voor het aanwezig zijn bij en het participeren aan officiële overlegorganen zoals de medico-mut, de NRKP en de accreditering, daartoe een correcte vergoeding voorziet. Nu gebeurt dit door vrijwillige artsen in combinatie met een voltijdse dagtaak die hen van inkomen voorziet. Meer nog, vaak gaat hun engagement ten koste van het eigen inkomen. We moeten als huisartsen onze representatieve vertegenwoordigers kunnen vrijstellen en correct vergoeden voor hun engagementen.

1e draft en ontwerp dd 02.02.2003, bijgewerkt op 19.02.2003 en 16.03.2003
nagezien en bediscussieerd op de noord zuid vergadering van 25.02.2002
redactie aan Nederlandstalige zijde door Piet Vanden Bussche en Patrik Roelandt
Vertaling/Traduction Nederlands-Français: Dr.Maurice Einhorn (Artsenkrant, Journal du Médecin)

Oorspronkelijke "Fronttekst" (Persmededeling)

Alle huisartsenorganisaties van het land (*) hebben een historisch akkoord bereikt over een  eisenpakket voor de herwaardering van de huisartsen. We willen drie jaar na elkaar een verhoging van het huisartsenbudget met telkens ten minste 15%. Een raadpleging moet dan 20 euro kosten, een huisbezoek 30, en het honorarium voor het globaal medisch dossier minstens 25 euro. Ook een betere sociale bescherming en de invoering van een differentiële terugbetaling zitten in het eisenpakket. 

1. Verhoging van het budget van de huisartsgeneeskunde  met minstens 15% per jaar gedurende 3 jaar. Onze prioriteiten zijn:

a. Revalorisatie van de honoraria voor huisbezoeken en raadplegingen tot respectievelijk € 30 en € 20.
b. de gelijktijdige revalorisatie van het G.M.D. tot minstens 25€, …
c. Uitbouw van andere types financiering voor onze andere opdrachten

2. Sociale bescherming

a. Uitbouw van sociale bescherming van de huisarts, als aanvulling van het sociaal statuut gebonden aan de conventie, gezien de taak voor de gemeenschap van de huisarts, die hem een gewaarborgd inkomen garandeert ter waarde van 80% van zijn netto belastbare inkomen, o.a. in geval van ongeluk, ziekte, moederschap.
b. Garanties voor een volwaardig pensioen.
Deze maatregelen worden gevoegd bij de veralgemeende herwaardering van het sociaal statuut van de zelfstandigen.

3. Geneesmiddelen.

a. Afschaffing van hoofdstuk IV (geneesmiddelen met voorwaardelijke terugbetaling) en vervangen door organisatie van feedback op basis van voorschrijfprofielen die worden opgemaakt op initiatief van en onder controle van de huisartsen zelf en dus op basis van controleerbare gegevens.
b. Verwerping van elke controle a posteriori die berust op administratieve criteria

4. Op politiek niveau en met betrekking tot Volksgezondheid

a. In alle overlegstructuren, zowel op federaal, gewestelijk als regionaal niveau, moeten de huisartsen aanwezig zijn met:

a. beslissende stem
b. gemandateerd door hun gelijken
c. betaald worden op decente manier door de groep

b. Prioriteit voor financiering en erkenning van de huisartsenkringen.
c. erkenning van lokale kringen voorafgaand aan elke verdere eerstelijnstructurering 
d. in alle structuren van de eerste lijn moeten huisartsen door hun gelijken gemandateerd worden 

5. Financiering

a. van de organisatie van de kwaliteitszorg (continue professionele beroepsopleiding), georganiseerd door de huisartsen zelf
b.de financiering van de tijd die artsen besteden aan hun permanente navorming, door het verhogen van de accrediteringsvergoeding (€ 2500/jaar).
c. evaluatie van de accreditering

6. De huisarts in zijn positie als eerste aanspreekpunt voor de patiënt benadrukken 

a. Een verlaging van het remgeld voor raadplegingen van huisartsen (en een grotere verlaging bij GMD)
b. Een verlaging van het remgeld voor raadpleging van een specialist die een naar hem verwezen patiënt ontvangt. 
c. Verplichte inning van het remgeld (met uitzonderingen die nu bestaan voor 3e betalende op intellectuele acten).

7. Organisatie van officiële campagnes die de bevolking aanspoort een huisarts te kiezen en die bij voorkeur eerst te raadplegen.

8. Organisatie van de Wachtdiensten.

a. Het realiseren van een beschikbaarheidshonorarium.
b. Het organiseren van de wachtdienst moet de verantwoordelijkheid van de lokale kringen blijven.
c. Financiering van het organiseren van de wachtdienst.

9. Structurele financiering van beroepsverenigingen.

(*) Deze consensustekst werd aan Vlaamse kant goedgekeurd door het Vlaams Huisartsenparlement (VHP), Uhak, Het Kartel (SVH en ASGB) en de WVVH. VAS-voorzitter Rufij Baeke tekende om praktische redenen in eigen naam maar engageerde zich om de tekst vandaag (30 april) op zijn beheerraad te verdedigen. Aan Franstalige kant bestaat het front uit de SSMG, het Cartel (GBO), het FAG en de huisartsen van de Absym.

 

                Regardez avec / kijk met 1280 x 1024         webmaster: dominosyndicat@telenet.be         © Domino vzw